Nummer 34, voor altijd van Appie

Het is donderdag 6 juli. Na een potje zomeravondvoetbal bij SDW (Sterk Door Wilskracht) rij ik niet via de snelste weg - de snelweg - naar huis, maar dwars door Amsterdam-West. Door Geuzenveld, de plek waar ik ben opgegroeid.

Een stukje jeugdsentiment - even kijken hoe het ouderlijk huis erbij staat, hoeveel er wel niet veranderd is op Plein 40-45. Even sfeer proeven.

Terug naar de tijd toen ik als een van de weinige Nederlanders in de klas zat met twaalf Marokkanen, acht Turken, drie Surinamers en een Antilliaan. Maar niemand die elkaar op grond van afkomst in een hokje duwde. Terug naar de zorgeloze jaren negentig.

25 jaar later gewend aan het stijve Amstelveen, waan ik mij in Geuzenveld even in een andere wereld. Tien uur 's avonds en de winkels (niet alleen de Albert Heijn) zijn gewoon nog open, de terrasjes zitten tjokvol.

Moeten die kinderen niet naar bed? Morgen is toch een schooldag? Het is er mediterraans gezellig.

Ik ben in Geuzenveld en dus moet ik ook even langs het huis van Abdelhak Nouri. Appie. Hij is dan wel met Ajax op trainingskamp in Oostenrijk, nieuwsgierigheid dwingt mij om gewoon even voorbij te tuffen en stiekem naar binnen te kijken.

Ik ken Nouri niet persoonlijk, maar het voelt alsof we al jaren een band hebben. Geboren in mijn stad, opgegroeid in mijn buurt, spelend voor mijn Ajax. Eén van de grootste balvirtuozen die ik ooit gezien heb, maar bovenal een verschrikkelijk zachtaardig, vriendelijk, bescheiden persoon. En nog met Amsterdamse humor en bluf ook.

Hij rijdt dan wel in een snelle, witte Mercedes van Ajax, hij slaapt gewoon nog op zolder bij zijn ouders. Deelt een kamer met zijn broer.

Als hij tijd heeft voetbalt hij gewoon nog met de jongetjes uit de buurt. Hij mag dan wel binnen enkele jaren de leider van het Nederlands elftal zijn, hij blijft zo aanraakbaar.

Je kunt Appie niet haten.

Het moet ergens rond 2007 geweest zijn als ik voor het eerst van Nouri hoor. Kijkend naar een jeugdwedstrijd op De Toekomst fluistert een vriendelijke Marokkaanse Nederlander mij wat in het oor. Ik moet eens bij de E'tjes gaan kijken.

Daar loopt me toch een speler. Nouri heet hij, zegt de meneer. Nouri wie? denk ik, niet realiserende dat Nouri zijn achternaam is.

Al snel zie ik met eigen ogen dat deze meneer niet uit z'n nek kletste. Twee koppen kleiner dan zijn leeftijdgenoten, maar Nouri gaat iedereen voorbij. Niet pingelen om het pingelen, pingelen met een functie. Als een ploeggenoot er beter voor staat, bedenkt hij zich geen moment. De ene geniale steekpass wordt gevolgd door de andere.

We noemen hem liefkozend Appie - ook omdat we Abdelhak niet kunnen uitspreken.

'Spelen tegen Ajax, was spelen tegen Appie', zei Frenkie de Jong, die jarenlang als jeugdspeler van Willem II tegen Nouri speelde, daar onlangs over in Voetbal International.

Hoe jong ook, binnen de kortste keren kennen alle scouts en voetbalkenners dat kleine baasje op het middenveld met die aanstekelijke lach.

Als hij bijna 16 wordt heeft Appie de clubs voor het uitkiezen. Hoewel Engelse grootmachten normaal gesproken vooral gecharmeerd zijn van fysiek sterke spelers, staan ze stuk voor stuk voor hem in de rij. Iedereen wil Nouri hebben.

Maar Nouri gaat niet voor het snelle geld, Nouri is verstandig en heeft maar één doel voor ogen: slagen bij Ajax, de show stelen in de Arena, de mensen in Amsterdam blij maken.

Veel Amsterdamse talenten worden al snel met een Ajax-legende vergeleken, maar weinigen is het weggelegd om 'de nieuwe Cruijff' genoemd te worden. Nouri wel. Zo goed is hij.

Kenners vinden hem qua stijl meer op Iniesta lijken. Hoe dan ook, dit is dé hoop van Ajax, de toekomst van het Nederlands voetbal. Dat is geen veronderstelling, maar een feit.

Zaterdagmiddagen worden jarenlang door honderden voetballiefhebbers bezocht. Wedstrijden van de A1 in de Youth League soms door duizenden tegelijk. Vanwege de goede lichting, maar vooral vanwege Appie. Vanwege zijn fabelachtige balcontrole, sublieme voetenwerk in de kleine ruimte, schitterende steekpassjes en ongekende voetbalintelligentie.

Je trotseert daar met liefde een regenachtige dinsdagavond voor. 

De druk op Nouri wordt elk jaar groter. Menigeen zou naast zijn schoenen gaan lopen, maar Appie niet. Altijd vriendelijk, altijd tijd voor iedereen makend, altijd beleefd. Trainer, journalist of barjuffrouw, iedereen wordt aangesproken met 'u' en in zijn eerste tv-interviews spat het aanstekelijke enthousiasme er vanaf.

Appies stopwoordje is 'top', alles is top volgens Appie. Topgozer. Topwedstrijd. Toppubliek.

Al heel jong is Nouri zich bewust van zijn voorbeeldfunctie. Het is soms alsof hij het gevoel heeft als Marokkaanse Nederlander geen enkele fout te mogen maken.

Hoe dichter hij tegen Ajax 1 aanschurkt, hoe meer Van der Gijpjes ('realisten' noemen zij zichzelf) elkaar napapegaaien dat er in het hedendaagse voetbal geen plek meer is voor voetballers als Nouri. Te klein? Te licht? Wordt zo weggeblazen door de Yaya Touré's van deze wereld.

Nonsens denk ik, als voetbalromanticus. Nouri is meester van de bal. En er is niemand sneller dan de bal, zou Johan zeggen.

Nog voor hij ook maar één bal heeft aangeraakt in het eerste elftal, kent iedereen in Amsterdam die vrolijke bijgoochem uit Geuzenveld. Als vorig jaar de wedstrijdselectie voor het bekerduel Ajax - Willem II bekend wordt, lijkt het wel of half Amsterdam-West een kaartje voor de bekerwedstrijd koopt.

Normaal een wedstrijd die ik als seizoenkaarthouder lekker warm voor de buis bekijk. Maar nu niet. Dit móet het moment zijn waar we al bijna tien jaar op wachten. Hier móet je bij zijn.

Op 21 september 2016 zit Nouri op de bank en in de Arena klinkt het 'Wij willen Nouri zien' minutenlang vanaf de tribunes. Populariteit die publiekslievelingen als Litmanen of Suárez kenden, maar nog nooit vertoond voor een speler die nul (!) minuten in Ajax 1 heeft gespeeld.

Het staat inmiddels al 3-0 maar iedereen op de tribune is nog maar met één ding bezig: het debuut van Appie.

Nouri doet wat elke grote Ajacied in het verleden heeft gedaan: scoren bij zijn debuut. Met een beetje Amsterdamse bluf en een guitig lachje snoept hij de vrije trap af van Lasse Schöne. Appie scoort, geplaatst in de verre hoek en de Arena barst uit zijn voegen.

Kippenvel staat op mijn armen, tranen wellen op in mijn ogen. Appie heeft het gedaan. Onze Appie. Een gezamenlijke last valt van onze schouders.

Het is zaterdag 8 juli. Eerste oefenwedstrijd van Ajax van het nieuwe seizoen. Het seizoen van Abdelhak Nouri. 20 jaar, dit is het jaar van de waarheid. Weet Appie ook. Hij lijkt gretiger dan ooit om zich in de basis te spelen.

Van verhuren wil hij niet weten, hij moet er niet aan denken om tégen Ajax te moeten spelen. 'Ik droom ervan ooit aanvoerder te zijn van Ajax', zei hij op vrijdag nog in een interview.

In de 72ste minuut gaat Appie op de grond liggen. Zal zijn enkel wel weer zijn, denken we. Er volgen onwerkelijke dagen.

Elke dag zevenduizend keer refreshen smachtend naar een update. Van voorzichtig optimisme naar het gevreesde bericht van donderdag 13 juli. 

Zijn broer vertelt dat als Appie binnenkort bijkomt, hij niet meer kan denken, eten, praten, lopen, zelfs waarschijnlijk niet eens iemand herkennen. Een mokerslag die binnenkomt.

Toen Appie na zijn debuutgoal tegen Willem II met twee duimen naar de achterkant van zijn shirt zwaaide was dit niet om de aandacht op zijn naam te vestigen. Appie wees naar zijn rugnummer 34, dat symbool moest staan voor de 34ste landstitel die hij met Ajax wilde behalen.

Tijd om nummer 34 voor altijd te verbinden aan Abdelhak Nouri, de Koning van Geuzenveld.

Door Rogier Deelstra

Hoofdredacteur 433